Ingezonden gedicht
Wind en Water.


Wind waar ben je,
Ik zie je niet maar ik voel je wel.
En je gaat soms te keer als de hel.

Soms kom je tegelijk uit alle hoeken.
Dan weet je geen richting te zoeken.

De zeilschepen zijn je vrienden.
Die willen elke zucht wind.
Ik vraag me af zeilscheepje waar ga je heen.
Is de reis soms naar Heerenveen.

Zo dwalen m,n ogen over het water.
Dan zie ik in de verte iets verschijnen.
Het lijkt op een zeemeermin.
Maar zodra ze me herkent,
Laat ze zich weer verdwijnen.

Verder wandelend langs het water,
Zie ik de golven in beweging.
Ze komen nooit tot rust.
Ze zijn nooit moe, ze zijn nooit uitgeblust.

Een oude boot als wrakhout aangespoeld.
En in stukken op het strand gesmeten.
En daar helemaal open gereten.

Hij had jaren lang de stormen weerstaan.
Maar nu was het met hem gedaan.

De meeuwen namen er bezit van.
Het was voor hen een goede schuilplaats,
Dit schip ging nooit meer buitengaats.

Dit is het einde van een tijdperk.
Bijna een eeuw deed hij z,n werk.

De wind zal hem nu met rust laten.
Hij zal nooit meer varen,
Hij zit vol met gaten.


In de verte zie ik de vuurtoren.
Die z,n werk doet naar behoren.

Maar heeft niet kunnen voorkomen,
Dat die ouwe schuit,
Toch op het strand is gekomen.


Jaap Ruigendijk.
volgende gedicht